En fanfare (Emmanuel Courcol) begint niet direct zoals je op grond van de titel verwacht. Want we bevinden ons middenin de repetitie van een klassiek stuk, met Thibaut Desermeaux (Benjamin Lavernhe), zwetend en hevig gebarend, die zijn orkest met aandacht voor de kleinste details tot het uiterste muzikale kunnen brengt. En daarbij ver voorbij de eigen grenzen gaat, want na nog weer een met extreme concentratie gedirigeerde passage stort Thibaut, tot onthutsing van zijn orkestleden, ter aarde. Naar snel blijkt is er meer aan de hand. De diagnose volgt al even snel, leukemie, de mogelijke remedie ligt in beenmergtransplantatie van een broer of zus, met een kans van 1 op 4 van ‘comptabiliteit’. De zus is donor, maar blijkt ‘niet compatibel’, de kans op succes blijkt achteraf 1 op een miljoen, want de zus is geen zus. Thibaut blijkt geadopteerd, scheldt zijn (pleeg)moeder vervolgens de huid vol voor dit al die jaren verzwegen feit, verneemt wel van het bestaan van een broer, en zit een scène later bij diens pleegmoeder aan tafel, het moment afwachtend waarop de broer, Jimmy (Pierre Lottin) nietsvermoedend met z’n grote weekendtas terugkomt, van zijn werk als kok in de kantine of van een bezoek aan de sportschool. ‘Broer? Ik heb geen broer!’ Een heel andere cultuur, zoveel is duidelijk.
De vertelling van de film is nogal schematisch, wat af en toe stoort. Tegelijkertijd werkt het ook. En in het schematische schiet de film door verschillende genres, soms naar al te opzichtig melodrama, er is fijne tragikomedie, er zijn zeker ontroerende fragmenten, en er valt ook gewoon veel te lachen, vaak om subtiliteiten die alles te maken hebben met de gedeelde muzikaliteit van de broers, die allengs duidelijker wordt. Van dirigent Thibaut, vanwaaruit het grootste deel van de film wordt verteld, weten we dat natuurlijk al vanaf het begin, van Jimmy vernemen we beetje bij beetje de uitschieters in zijn genialiteit, waarvan hij zich zelf wel latent bewust is, maar waar hij – daarin in tegenstelling tot Thibaut nooit uitgedaagd in zijn jeugd – zelf absoluut niet in gelooft. Zelfvertrouwen heeft Jimmy in ieder geval niet te veel, een mooi personage is het wel. In het appartement van zijn broer moet de jazzmuziek aan blijven staan. Nadat de transplantatie is geslaagd – min of meer tussendoor en luchtigjes in beeld gebracht – krijgt Thibaut bij zijn zo lijkt het definitief afscheid van zijn broer-redder een LP van de lievelingstrompettist Clifford Brown mee. ‘Heb je meer?’ Jimmy heeft de hele aanpalende garage in het huis van zijn pleegmoeder omgebouwd tot muziekstudio, inclusief Thorens-platenspeler en indrukwekkende jazzplaten-collectie. ‘Toen ik voor het eerst een trompet hoorde, ging de noot dwars door me heen. Ik hoor hem nog altijd?’ ‘Weet je nog welke noot het was?’ ‘Des’ ‘?’ ‘Miles speelt altijd een tiende lager’. En ook mooi in de muziekstudio is de Verdi-boogie-woogie. (Zelf kijken.)
Bij vlagen hilarisch, maar ook ontroerend – is er een vleugje Tati her en der? – zijn de repetities van de plaatselijke fanfare – ‘Nee. Harmonie’ – waarin Jimmy trombone speelt, maar ondertussen ook zijn medemuzikanten zonder enige vorm van betweterij corrigeert als zij ergens in de partituur een halve toon te hoog of laag spelen. ‘Waarom geen trompet?’ ‘De trombone was vrij’. Het verhaal ontwikkelt zich ook hierna snel, schematisch, met een opnieuw quasi-achteloze voorspelbaarheid: dirigent valt uit, niemand die het kan overnemen, behalve Jimmy, die het wel kan maar absoluut geen vertrouwen heeft in eigen kunnen. Thibaut zegt toe hem te helpen op weg naar een uitvoering op een regionaal concours, dat natuurlijk helemaal verkeerd afloopt, als de lokale muzikanten op de vuist gaan met het pretentieuze orkest dat het podium verlaat als het mijnwerkersorkest van Walincourt daar plaats wil nemen. Die strijd van de lokale gemeenschap, waarvan het orkest de vertegenwoordiging vormt, is overigens een mooi ondersteunend – zij het ook weer zwart-wit belicht – thema in de film. Sociale cohesie van de arbeiders, hun uitbuiting en de onherroepelijke sluiting van de fabriek. Onherroepelijk? Ja, maar ondertussen krijgt het orkest nationale aandacht, doordat Thibaut zich opwerpt als dirigent om in de plaatselijke fabriek, temidden van grote media-aandacht met het orkest een uitvoering te verzorgen van Ravels Bolero.
Ook dat komt er uiteindelijk niet van, vooral omdat de film wreed eindigt. De kanker blijkt niet overwonnen, zo laat Thibaut weten op het moment waarop hij met zijn broer met z’n voeten in het water van de zee staat, de zee in loopt en daar liefst letterlijk en figuurlijk kopje onder wil gaan. Thibaut is op. Waarna het beeld volgt van een huilende Jimmy alleen in zijn auto, een auto die eerder in de film trouwens ook nog een prominente rol heeft gespeeld in een fraaie tragikomische scène die uitmondt in dronkenschap, een rit met horten en stoten, en natuurlijk eindigt op het politiebureau. En met die wetenschap van de niet gedeelde jeugd, die ook op latere leeftijd niet ingehaald kan worden, omdat de tijd dat niet toe wil staan, gaat het filmdoek (bijna) op zwart. Einde verhaal? Niet helemaal, omdat we altijd willen blijven dromen, ook als dat niet kan. Zodat er, bijna als een ‘deleted scene’ in een andere montage, die met het melodramatische happy end, alsnog een glorieus gezamenlijk concert-moment komt. En die op het eerste gezicht naïef-gekunstelde plot is, bij de eerder soms ook al schematisch-lapidaire vertelstijl, eigenlijk een heel mooie en passende vondst. Leve de muziek!