Black Dog. ‘Hey you… Can you feel me?’ Een onvoorstelbare rijkdom in grijstinten

Regie: Guan Hu | Met: Eddie Peng | China, 2024

Een oud busje met een diffuus groene kleur rijdt over een rotsachtige, slingerende zandweg tussen de heuvels van een grotendeels dor, geërodeerd landschap. Graspollen zonder houvast tollen in de harde wind diagonaal door het korrelige beeld. Het busje rijdt hard, hobbelt half door de lucht, schiet langs zandkuilen en over stenen. En dan de honden, bij tientallen. Als een stormvlaag doorkruisen ze de lege, desolate woestenij. Dwars over de weg, naar de overkant van de heuvels, met achterlating van het in hun oversteken onontkoombaar en hulpeloos gekantelde busje, dat met gebroken voorruit op de weg ligt.

Als vertraagde, half bewuste pissebedden klauteren de eerste passagiers vervolgens uit de zijkant van de bus die nu het dak vormt. De chauffeur breekt zich door de ruit, die hij wat later – ogenschijnlijk zonder al te grote krachtsinspanning – omkrult en terugvouwt tegen de sponning van het raam, om ook andere passagiers te manen snel uit te stappen. Blijkbaar is er haast, paniek om een dreigende brand wellicht. Maar omdat de camera op relatief grote afstand blijft, heeft het hele tafereel iets tragikomisch. Iets ostentatiefs ook, maar waarom eigenlijk? What’s going on?

Menselijke handelingen ontwikkelen zich verder: politie wordt gebeld, daarna belt de buschauffeur zijn baas. In een volgend beeld nadert uit de tegenovergestelde richting vanwaar de bus kwam – maar ook met grote snelheid – een politieauto. Twee agenten doen ordentelijk bij de kwesties waar ze mee van doen hebben. Eerst zorgen voor vervangend vervoer. Ook – en blijkbaar is dat nodig – alle inzittenden identificeren. En een geldkwestie dient opgelost, omdat een van de passagiers in de consternatie van het omslaan van de bus één van zijn vijf bundels met contant geld is kwijtgeraakt, mogelijk ontvreemd uit een weekendtas waarin hij het tijdens de busreis vervoerde. De verdenking van de diefstal gaat uit naar een kaalgeschoren jonge man, die zich al snel afzondert van de groep – en niet meer in wil stappen als de groep in een andere bus in traag tempo het vervolg van de reis in een andere bus aanvaardt. Fenomenaal vervolgbeeld: twee bussen, een wandelaar, en een politieauto, in wandeltempo op weg naar ergens, naar een stad in de Chinese leegte.

In het grofkorrelige beeld – ook nog eens in geserreerde grijstinten gefilmd – is Black Dog een film die te rijk lijkt voor beschrijving. De man in afzondering, Lang, blijkt een veroordeelde, terug in de stad die in de lange jaren van zijn afwezigheid ingrijpend veranderd is, verlaten vooral, in weerwil van of misschien wel vanwege een aangekondigde, ingrijpende stadsvernieuwing, in een tijd waarin via radiotoespraken en reclame-uitingen een opgeklopt nationalisme klinkt aan de vooravond van de Olympische Spelen van Beijing uit 2008, maar waarin die lege vervallen gebouwen en de jacht op de talloze zwerfhonden een heel ander verhaal vertellen. Heel andere verhalen, meervoud. Over de vader van Lang, drankzuchtig en verhuisd naar de dierentuin, om in die vervallen en gesloten dierentuin te zorgen voor de overgebleven dieren. De wolf is al weg en zwerft in de bergen buiten de stad, vrijgelaten om voedsel uit te sparen voor de tijger die verveeld in zijn veel te kleine hok ligt. Overal het staal van hokken in de dierentuin, zoals in de hele stad en de gebieden daarbuiten ook steeds een nadruk ligt op constructie, beter gezegd: op in afbraak zichtbaar geworden, in verval rakende constructie. Buizen, dakconstructies, leidingen, uitsparingen in muren waar ramen zaten, en overal puin.

En tussen dat puin, en in de verlaten gebouwen, de zwervende honden. De overlast gevende honden, die ziektes veroorzaken en afgevoerd moeten worden naar een asiel (met het voorkomen van een kamp) buiten de stad, met een triest lot dat maar weinig aan duidelijkheid over laat. In een van die verlaten gebouwen huist ook de zwarte windhond – the black dog die gaandeweg de film steeds meer menselijke eigenschappen lijkt te krijgen – , opgejaagd wegens vermeende hondsdolheid, maar een hond die zich niet laat vangen, een eigenzinnige hond die pissend, grommend, blaffend en bijtend heerst in zijn eigen veroverde territorium. De hond met de ziel, de ziel van de film, die beetje bij beetje in contact komt met Lang. En op het moment waarop de hond uiteindelijk toch gevangen wordt door het zootje ongeregeld dat als premiejagers op de honden jaagt, is het aan Lang om hem te transporteren naar het asiel buiten de stad, waarna opnieuw een – in de film via radiowaarschuwingen al lang en breed aangekondigde – stormjacht komt, een stormjacht die gruwelijk mooie scenes oplevert van twee opgejaagden en half verstotenen te midden van een niets ontziende omgeving.

Na de storm – met de inmiddels zo goed als uitgedoofde koplampen van het omgewaaide busje van bovenaf gefilmd – is er een plotselinge redding, via een kleine karavaan, een karavaan die zich als kleine optocht aandient en daarmee de introductiescènes van de film speels herhaalt, zoals er veel mooie en functionele herhalingen in de film zijn, in een film ook die zindert van ritme. Het circus komt naar de stad, met een kleine spreekwoordelijk bonte verzameling van eigengereide individuen in hun semi-nomadenbestaan, een bestaan waar Lang in ieder geval gevoelsmatig voor even aansluiting bij vindt. Een verzameling van half verloren levens ook, voortreizend op eenmaal – al dan niet vrijwillig – gemaakte keuzes of meer of minder toevallige ontmoetingen.

Ontmoetingen en afrekeningen, schuld of onschuld, wraak of vergeving, familieverhoudingen, generaties, ook daarover gaat Black Dog, over onze neiging van alles en nog wat op iemand te projecteren. En vooral ook over de menselijke maat in het één op één de goede dingen doen. Er zijn voor elkaar, zorgen voor een buurman, een vader, een kleine gemeenschap, een hond. En altijd zijn daar die honden, honden die hun eigen gang gaan. Ongewenste honden die er desondanks zijn. Honden ook die plaats maken op het moment waarop Lang zijn ernstig verzwakte Black Dog na lang vergeefs zoeken uiteindelijk terugvindt op een renbaan buiten de stad, en met de meer dood dan levende hond in het voor het dier gemaakte zijspan toch weer terugkeert naar de stad. Aan weerszijden van de heuvels wijken de honden en kijken toe, verschaffen doortocht.

Perspectief is er uiteindelijk altijd. Ook voor de zwarte magere windhond, die het einde van de film zelf niet haalt. Maar – al te poëtisch misschien en al te zoet, maar wat geeft het – zijn leven zet zich voort, met een pup, die niet in een zijspan, maar in een rugzak op de motor met Lang uiteindelijk de stad verlaat – al lijkt het bij de eerder in de film ook al prominent aanwezige opgebroken weg toch even finaal mis te gaan – op weg naar elders, waar het wellicht niet anders is. Tot in de aftiteling tintelt het voelen van de film door. Met alles dat onverteld maar aangeraakt is. Met het stemmige Pink Floyd en de fraaie baslijn van Hey you. ‘Hey you, out there in the cold, getting lonely, getting old, can you feel me?’ Geen onverstaanbaar Chinees, maar duidelijke taal, voor ons, de zittenblijvers in onze eigen gestolde kou, de oudworders, de hondenjagers die we maar al te gemakkelijk zijn. Het is zo aan het einde van de film, opgedragen aan ‘all those who hit the road again’, niet minder dan een oproep.

Scroll naar boven