Regie: Ariane Labed | Met: Mia Tharia, July Pascale Kann, Rakhee Thakrar | Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Ierland, Engeland, 2024
Soms heb je het gevoel dat je het boek moet kennen om de film des te meer te kunnen waarderen. Dat gold niet voor The Outrun, en ook niet voor Hokwerda’s kind. Beide films kunnen uitstekend op zichzelf staan. Bij September Says – waarvan ik het boek niet las – twijfel ik, wat niet wil zeggen dat de film minder geslaagd is. Misschien zijn film en boek wel net zo gesloten en is dat precies de bedoeling. Hoe dan ook, September Says geeft niet veel weg en laat de kijker herhaaldelijk gissen, en zoeken naar betekenis en vastigheden.
De film opent als performance art. Twee kleine meisjes voor een blauw scherm worden gefotografeerd. Witte jurkjes, ineens spatten bloed over de kleren, en de vraag of dat bloed misschien nog meer moet. ‘Je kunt het ook níet doen,’ zegt September, op gespeeld verbaasde, misschien ook wel wat belerende, of verwijtende toon. Het blijkt een kunstproject van de moeder, Sheela (Rakhee Thakrar), waarna de film direct een tijdssprong maakt en we de twee oudere zussen, ditmaal in te kleine jurkjes, opnieuw gefotografeerd zien door de moeder. In volgende scènes zien we onder andere hoe September (Pascalle Kann) het voor haar zus July (Mia Tharia) opneemt op school, en hoe diezelfde, grommende September zich misdraagt op school door bij een pestende medeleerlinge pontificaal haar staart af te knippen aan het begin van een wiskundeles. Een schorsing volgt, bepaald niet de eerste. Ook horen we hoe moeder Sheela een therapiesessie volgt vanachter haar laptop. Haar monoloog tegen het scherm is volkomen surrealistisch, onnavolgbaar in logica, maar prachtig in zinnen. Waarop een bezorgde therapeute vraagt of ze haar medicijn nog gebruikt. ‘No it gave me poopies.’
De binnenwereld waarin de – nog behoorlijk jonge – moeder leeft zet zich door in die van haar dochters. Moeder ligt vooral op bed. Er is een scène waarin ze thuis – mooi huis, kunstzinnige meubels, TV – met knijpers en dekens een huiselijke cocon maakt van de bank, om haar dochters in een afgeschermd, knus plekje TV te laten kijken. Zelf kijkt ze maar even mee. September en July kijken iets dat lijkt op reality-TV of een hersenloze sequel, maar het geluid staat uit en tekst verzinnen de meisjes zelf, in een niet bestaande orakeltaal. En er is meer vreemd, zoals het door de zusjes delen van een mobiele telefoon. Dat gaat natuurlijk mis, omdat July berichtjes leest die bestemd zijn voor September. Maar het is July’s telefoonweek, en September gunt haar zelfs een opvolgende week, zodat July haar geheimpje – een chatdate die volkomen uit de hand loopt omdat July niet chat met degene die ze denkt – verder laat ontsporen. Vreemd is ook de vernissage van een fototentoonstelling van de moeder, waar de dochters zich achter een tafel verstoppen en te midden van de overige gasten schijnbaar ongezien grote hoeveelheden wijn direct uit de fles drinken. En naast die ene telefoon, gaan de dochters ook op één fiets naar school. July’s fiets heeft een lekke band. September zou die repareren, maar dat gebeurt niet. Wel brengt ze haar zus, beschermt haar tegen opdringende medeleerlingen, maar volgt zelf geen lessen.
De wereld van de zussen heeft iets onmiskenbaar wreeds en toont een bij tijd en wijle sadistische, overheersende September tegenover een meer slaafse ‘stupid July’. Bij fluittoontjes van September volgen opdrachten die July uit moet voeren, tot zelfverminking aan toe. Ook vraagt September haar of ze bereid is te sterven, mocht die vraag aan een van hen gesteld worden. Het is een wereldvreemde, even surrealistisch-absurdistische als verwrongen-nihilistische gang van zaken, die wel wat lijkt op het gedrag van de kinderen in Dogtooth, de debuutfilm van Yorgos Lanthimos, een film die eveneens in een schijnbaar realistisch decor hoe langer hoe meer, en steeds indringender, uitbolde tot een soort onderhuids wreed-surrealistisch absurdisme.
Als bij Lanthimos lijken de zaken ook in de film van Ariane Labed – die eerder in twee vroege films van Lanthimos speelde, en bovendien zijn echtgenote is – flink uit de hand te lopen. Om redenen die de kijker wel kan gissen, redenen die alles te maken hebben met een nieuwe ontsporing van July, moet Sheela met haar dochter tijdelijk, zo lijkt het althans, haar intrek nemen in het huis van haar schoonouders. Even is er humor, als de sleutel onder de bloempot moet liggen en de camera vervolgens rond de deur en in de buitenkozijnen tientallen bloempotten toont. Het huis is onbewoond; de erfenis van de overleden vader ligt in een volgestouwde kamer waar de kinderen zullen gaan verblijven, een kamer die behalve met een tweepersoonsbed vooral gevuld is met koffers vol oude kleren, van de ook verdwenen schoonouders. Moest oma niet gebeld worden voor de sleutel?
Het vrijstaande huis toont als een verouderd jaren zeventig huis, met dito keuken en zware houten trappen, met veel donkere kamers en veel bruin. Er staat wel een router, maar om het internet werkend te krijgen moet een monteur komen. Ook die krijgt het nodige te verduren. Sheela bekommert zich, behalve om het internet dat ze nodig heeft om te kunnen schrijven, verder nergens om, al blijkt ze wel de eerder lege koelkast van de ene op de andere dag gevuld te hebben. Ook zien we uitstapjes van Sheela naar de plaatselijke pub, waar ze en scharrel opduikt met wie ze in het huis van haar schoonmoeder vervolgens het bed deelt, waarmee dan ongeveer ook alles is gezegd, want echt intiem wil het niet worden, in een scène die representatief is voor de afstandelijke, weirde sfeer van de hele film.
Een film die alsnog een onverwachte wending krijgt, al is die wending misschien ook niet zo onverwacht wanneer we alles wat we tot dan toe gezien hebben nadrukkelijk niet zien als realistisch maar als een projectie, vanuit July. Bestaat September eigenlijk wel? Of hebben we gekeken naar een meisje dat zich een oudere zus inbeeldt, een zus die ze slaafs wil volgen? Of was die zus er eerder wel, maar is ze omgekomen toen haar verdediging van July op school helemaal uit de hand is gelopen? En is de wens van September om door July op het strand begraven te worden, misschien ook wel meer dan alleen maar een beeld van een vrij onschuldige puberfantasie? En hoe mooi is daarbij de manier waarop het haar van September rond haar hoofd in het zand gedrapeerd is, als een mythische figuur in een tekenfilm.
Mythisch, wreed, raadselachtig, af en toe surrealistisch poëtisch. Macht, onderdrukking, waandenkbeelden, pestgedrag. Met een elektrocutie, of is het een blikseminslag zoals die van een lotsbeschikkende Donar? Van William Faulkner is de uitspraak dat wie zijn romans niet na drie keer lezen had begrepen, gewoon een vierde lezing nodig had. Dat is wat deze film – een film die insnijdt en blijft intrigeren – teweegbrengt, juist ook door het onvertelde en soms maar heel lichtjes gesuggereerde. Met welke blik heb ik eigenlijk gekeken? Wat heb ik gezien, en vooral: wat heb ik gemist? Nog een keer kijken, als de film tenminste lang genoeg draait, of anders toch maar het boek (her)lezen. Obsederend als Faulkner is September Says in ieder geval. Gisteren hoorde ik Septembers monotone fluitje op het perron bij station Amsterdam-Zuid. Voor wie was dat bedoeld?

