Sanne Huysmans, Iemand moest het doen. ‘Moet alles wat schoon is kapot, moeder?’

Sanne Huysmans, Iemand moest het doen. Koppernik, 2023

In de schilderijen van Permeke worden traditionele taferelen verbeeld: boeren op het land, noeste torso’s, ook veelal van dieren, of indrukwekkende schemeringen bij verder lege stranden. Anekdotiek die diep ingrijpt. Tord Gustavsen bereikt een vergelijkbaar effect in de platen met zijn trio, vooral daar waar hij zich baseert op de zo verfijnde structuren van Bach, of op de melodieën van psalmen en oeroude volksliedjes. Alle lagen stijgen op uit stilte, beetje bij beetje, en vormen een genuanceerd en verfijnd, buitengewoon rijk en in de beperktheid tegelijkertijd polyfoon geheel.

Sanne Huysmans bereikt dat effect ook, in een korte en alleen ogenschijnlijk enkel anekdotische roman die ongekend rijk is. Rijk in prachtige zinnen, die op zichzelf al de moeite van het lezen, aanstrepen en steeds maar herlezen waard zijn, rijk in een zorgvuldig opgebouwde compositie in vijf aktes, rijk in de polyfonie van vertelstemmen die in de roman aan op bod komen, ogenschijnlijk in authentieke personagetaal, met beschrijvingen die voor een klein deel vanuit het personage worden gedacht, maar meestal verteld worden vanuit een verteller die steels en voor een deel vanuit dat personage meevertelt, maar tegelijkertijd ook een ander, meer aanvullend perspectief meegeeft. Rijk in het oproepen van een verloren, tot de lokaliteit beperkte, en daarin juist zo meerstemmige wereld, zoals ook Leo Pleysier die in zijn romans altijd weet op te roepen, met een bij Huysmans als bij Pleysier al even sterk aanwezige muzikaliteit in de verwoorde flarden van gedachtereeksen. Rijk bovenal omdat in al die losse elementen van de vertelling, als bij de zorgvuldig opgebouwde harmonieën van Gustavsen en de kleurtoetsen van Permeke, een buitengewone herhaling, vol minieme variaties en subtiliteiten is ingebouwd, één die aanvankelijk nauwelijks als zodanig waarneembaar is, maar die bij zorgvuldige lezing van de roman steeds maar sterker wordt en de aan de oppervlakte al prachtige anekdotiek naar alle kanten verdiept en meerstemmig maakt. Stilstaande plaatjes uit een verleden worden tot caleidoscopische dia’s, losse fragmenten schieten terug én naar voren in de tijd en rekken het heden daarmee naar twee kanten uit.

Huysmans ruimt een groot deel van haar vertelling in voor Maria, die in opeenvolgende letterlijke inbreuken in haar ouderlijk huis bruusk en onherroepelijk de moderniteit heeft leren kennen. De gaten die de aangelegde elektriciteitskabel slaat in de gevels van het huis – met als gevolg een knetterend peertje aan het plafond waardoor de vrouwen hun vermogen zullen verliezen om blind te breien – vallen nog in het niet vergeleken met de wonden die aan het huis worden toegebracht zodra het wordt aangesloten op de waterleiding, met water dat Maria’s vader op de koop toe nog niet eens wenst te gebruiken: dat water zou, aan het eind van de straat, zomaar vervuild kunnen zijn met afvalwater van bewoners die dichter op de bron van de leidingen zitten, en voor het koken van de princessebonen haalt niets het bij de smaak van de bonen gekookt in het water uit de put. Diezelfde Maria wordt, zo blijkt na enkele andere romanfragmenten, ongewenst zwanger van een student uit de stad, en verwordt daarmee tot schande van haar familie. Een achterneef brengt redding door met haar te trouwen, maar krijgt daarmee tegelijkertijd alle eigendomsrecht op de ouderlijke woning in de Kapelstraat, de straat waar alle gebeurtenissen uit Iemand moest het doen zich afspelen.

Verdeeld over de opeenvolgende thematische afdelingen van de roman, achtereenvolgens ‘Arbeid’, ‘Vereniging’, ‘Dienst’, ‘Verwachting’ en ‘Weg’, krijgt behalve Maria ook Pol, zoals geleidelijk aan duidelijk wordt één van haar zoons, eigen deelhoofdstukjes in Iemand moest het doen. Daaromheen figureren de anekdotische opgetekende verhalen van andere vaste straatbewoners, steeds gegroepeerd onder het nummer van het perceel aan de Kapelstraat dat zij bewonen, naast de verhalen van enkele passanten, gerubriceerd onder het terugkerende kopje ‘x’. Tot de vaste straat- of in dit geval beter gezegd wijkbewoners hoort ook een boom, de notelaar, vanwaaruit meewarig en kritisch wordt gekeken naar het doen en laten van de bewoners, en naar hun omgang met de flora en fauna. Pol en de meeste andere bewoners genieten de sympathie van hun verteller, wat niet geldt voor de misantroop van nummer 36, de haatdragende Bert.

Het lot van Pol en Bert schraagt de plot van de vertelling, die in alle facetten van het verhaal al wordt voorbereid. Huysmans werkt daarbij via een uiterst nauwkeurig gebruik van beeld- en vooral woordherhalingen, die maken dat de alleen ogenschijnlijke anekdotiek slechts de oppervlaktelaag is van een buitengewoon complex geconstrueerde vertelling, die ondanks die razendknappe compositie bijna nergens geforceerd aandoet doordat Huysmans elk overtollig woord vermijdt. Wat functioneel is – en dat is bijna alles in Iemand moest het doen – gaat daardoor steeds meer, en steeds overdadiger schijnen, met de zich steeds in de gedaante van witte dieren manifesterende droomgedaante van Pols moeder als maar een van de tientallen elementen in het verhaal die naast hun directe verhaalfunctie ook onderdeel zijn van de romanstructuur. Wat geldt voor de witte dieren – waaronder een konijn en een door de straat paraderende reiger – geldt net zo voor de brede bomen die een huis omgeven, voor torenvalk en duif, voor hamers, voor druppels valeriaan, voor gezeur en gezaag, voor de mooie triestige noot mi mol, de ligusterstruik, de krieken, de steeds weer terugkerende gejaste patatten, het snebberen (!) van de ganzen in hun steeds geagiteerde zinnetjes (‘ “Niet te snel.” “Mijn poot doet zeer.” “Zijn we er al.” “Beter aansluiten!”’), het achteruit rijden, voor wat eigenlijk niet.            

De grote taalgevoeligheid van Huysmans creëert een wereld die behalve van weemoed, vooral ook – om het in het idioom van de roman te zeggen – van goesting doortrokken is. Goesting naar de woorden, naar de natuur, naar de landschappelijkheid, naar de veronderstelde gemeenschapszin van weleer, in een roman die gesitueerd is in tijden van vooruitgang, tijden die naast de vooruitgangswinst ook veel verlies hebben opgeleverd in de voortdurende jacht naar meer. Dat maakt de roman van Huysmans, opgeleid in politieke wetenschappen en filosofie, ook tot een filosofische roman, bijvoorbeeld over de zintuigelijke verlorenheid waar we hoe langer hoe meer aan lijden, maar waarnaar we in de tijdelijkheid van Iemand moest het doen nog wel terug kunnen keren. Veel van wat we missen, veel van wat er mis is ook, ligt vervat in deze roman, in dit (naar Leopold) klein, maar samenballend trilkristal.

Scroll naar boven