Regie: Andrea Arnold | Met: Franz Rogowski, Nykia Adams, Barry Keoghan | Engeland/Frankrijk/Duitsland/Verenigde Staten, 2024
Al in de openingsshots is ‘Bird’ (Andrea Arnold) een voortrazende film, die je direct dwingt tot volle aandacht. We zien een meisje dat op een omsloten metalen brug loopt, en met haar mobiele telefoon een hoog in de lucht vliegende meeuw filmt. Even later loopt een meeuw over diezelfde brug, en kijkt heel even recht in de camera. Dat te bedenken en gefilmd krijgen zegt al veel over wat deze film te vertellen heeft. Snel hierna wordt het meisje opgepikt door een jonge, net te dikke man op een elektrische step met veel tattoos op zijn ontblote bovenlijf. De man is extatisch vanwege een naar hij denkt toxische pad die hij in een plastic tas bij zich draagt. Het slijm van het beestje zou hallucinerend zijn en als drugs een grote waarde vertegenwoordigen. In een volgend beeld rijden de jongen en het meisje luid zingend door de straten van een stad die zich laat aanzien als Hull. Ze zingen hard mee met de muziek die uit de soundbox aan het stuur van de step galmt.
Het zou een stelletje kunnen zijn, maar dat is het niet. Bailey (Nykia Adams) is de dochter Van Bug, twaalf jaar oud. Bug is de heel jonge vader, die nog twee kinderen uit twee andere relaties blijkt te hebben. Ze wonen in een aftands flatgebouw direct aan een flink geluidsoverlast gevende spoorlijn. Bug (Barry Keoghan) heeft een nieuwe relatie, en vertelt Bailey dat hij aankomende zaterdag zal gaan trouwen, met een nieuwe vlam die hij al drie maanden kent. Bailey wordt geacht bruidsmeisje te spelen in een foeilelijk paars-zwart-gestipt tijgerpakje, wat zij maar al te duidelijk en herhaaldelijk weigert.
Geld voor de bruiloft is er niet, maar de verwachte opbrengst van het slijm van de pad moet daarin gaan voorzien. Daarbij is het nog wel even de vraag hoe de pad aan de productie van slijm te krijgen. Het antwoord, een hilarisch onderdeel van de film, ligt in de muziek. Oude muziek, zoals Yellow van Coldplay, moet de pad enthousiast krijgen. Het is maar één voorbeeld van het belang van muziek als een van de drijvende structurerende elementen in een heftige film, die onder andere door de humor en de empathie die de popmuziek met zich meebrengt draaglijk is: songteksten worden luidkeels en letterlijk, woord voor woord, en niet altíjd helemaal vals, meegezongen, spontaan in huis, op de step, of bij karaokesessies en andere feestpartijen, en zijn daarin een samenbindend element – en er zijn er meer in Bird – in de in veel opzichten hartverscheurende troosteloosheid van een in de stadse agglomeraties van Noord-Engeland aan zijn lot overgelaten generatie. Eigenlijk zien we in Bird vooral kinderen, kinderen die als volwassen moeten doorgaan, of jongvolwassenen die zich nog als pubers voluit uitleven, maar bovenal kinderen, jonge mensen die verwaarloosd worden, slecht te eten krijgen, geen fatsoenlijk bed hebben om in te slapen, kinderen die desondanks opbloeien in de kleine goede momenten, die er gelukkig veel zijn in Bird.
Het personage Bird (Franz Rogowski, in een prachtrol) draagt de film, samen met Bailey. Beiden zijn kwetsbaar, vulnerable is het betere woord, en tegelijkertijd heel krachtig – en dat laatste blijkt naarmate de film vordert steeds duidelijker, en in onverwachte dimensies. Bailey wordt, gevlucht uit het ouderlijk huis, op een ochtend wakker gekust door een paard op een braak liggend stukje land vlak buiten de stad; een plotseling moment van poëzie en rust als de film al een tijdje op weg is. Even later springwandelt een jongeman in rok haar tegemoet, en stelt zich voor als Bird. De dialogen die volgen zijn spaarzaam maar mooi. ‘Isn’t it beautiful?’ vraagt Bird, terwijl de camera oog heeft voor het ochtendlicht van de rafelige stadsrand. ‘What?’ ‘The day’. Bird heeft wat lijkt op een oud sigarettenpakje met daarop een handgeschreven adres in de stad, Bailey wijst hem het hoge gebouw dat in de verte zichtbaar is, en volgt hem heimelijk daarnaartoe. Wat later ziet ze hem boven op het gebouw staan, zoals Bird – veelal te midden van vogels – nog veel vaker in de film op daken van gebouwen zichtbaar is voor Bailey.
Waarschijnlijk is het meestal inbeelding, zoals ook het door Bailey waargenomen gedrag van de vogels misschien wel gedeeltelijk inbeelding is, of pure cinematografische fantasy. Het zijn in ieder geval elementen die de film dragen en een bijzondere lading geven. In Bird is Wenders’ Der Himmel über Berlin af en toe dichtbij, vooral in de cameravoering met beelden op afstand, en in de talrijke betekenisdragende vogels in de film ook Birds van Hitchcock. Wie die twee elementen als regisseur een prominente plaats in een film geeft kan niet anders dan op de hoogte zijn van deze filmgeschiedenis, en dat maakt het gebruik maken van die motieven en interteksten tot iets bloedlinks. Maar Bird slaagt er op fenomenale wijze in om een eigen toon te vinden, en staat als film ook hierin volstrekt op zichzelf.
In de vele ontroerende – en tegelijkertijd confronterende – scènes die Bird rijk is beschermen de kinderen elkaar, in een wereld waarin ze verwaarloosd zijn en onderhevig aan bedreiging of dreigende mishandeling. Dat gaat er, ook vanuit de jongeren, af en toe bepaald niet zachtzinnig aan toe, maar het indringende, meevoelende aspect overheerst. Zeker daar waar Bailey opkomt voor haar jongere zusjes en broertje en hen beschermt tegen het ronduit agressieve gedrag van haar moeders nieuwe vriend. De manier waarop Arnold uiteindelijk Bird, zelf ook een achtergelaten kind – en ook die verhaallijn wordt in de film buitengewoon fraai, geserreerd maar diep-aangrijpend uitgesponnen – een plek geeft in de apotheose is onverwacht, maar tegelijkertijd ook enorm goed en subtiel voorbereid, onder andere op basis van de eerdere lichaamstaal van Bird. De plot van de film, die samenvalt met het trouwfeest van Bug, is in originaliteit en in de uitwerking sterk ontroerend. Het toont een uitweg waar er geen uitweg is, en die uitweg draagt met terugwerkende kracht de hele film.
‘Is this too real for you?’ zingt Fontaines DC in de – ook belangrijke – aftiteling van de film. Te realistisch? Ja en nee. Bird is om woorden van Louis Andriessen aan te halen koude kunst, zoals alle goede kunst koude kunst is. Het is weergaloos gemaakt, ambachtelijk scherp, goed geregisseerd en gemonteerd, én bovenal hoogst origineel in het scenario. En juist daardoor ontroert het tot op het bot. (Zijlijn: en daarin onderscheidt het zich van een film als Anora, die ook wil ontroeren, maar vooral iets wil meedelen, te veel enkel in het verhaal en wat al te vlak en opzichtig.)

