Donald Niedekker, Nevenwezen. ‘Veel schuim. Lekker luchtig. Zo doen we het’

Donald Niedekker, Nevenwezen. Koppernik, 2026

Nevenwezen van Donald Niedekker is een onbedaarlijk mooie roman. Enkele jaren geleden verraste Niedekker al met het originele Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost, dat op geheel eigen wijze een fabelachtige vertelling was die speelde met mythe en geschiedenis rondom de barre overwintering van Willem Barentsz en zijn mannen op Nova Zembla. Na die met de F. Bordewijk-prijs bekroonde roman publiceerde Niedekker nog het aforistische Ochtenden, waarin hij uitblonk als waarnemer en beluisteraar van al het kleine, vanzelfsprekende en daardoor ook zo gemakkelijk vergetene dat zich dag na dag in het voorbijgaan van de seizoenen aandient. En dan was daar nog het verrassend lichte requiem Rouw, dat in 2024 verscheen; Niedekker schreef het in de eerste vijf maanden na het overlijden van zijn moeder. Alle uitgaven verschenen, met de in hun bescheidenheid zo kenmerkende en fraaie vormgeving, bij uitgeverij Koppernik.

En ondertussen werkte Niedekker dus aan de nu verschenen grote roman Nevenwezen. Groot niet in omvang maar wel in ambitie en reikwijdte, en dat in een roman die inhoudelijk niet moeilijk is, allerminst zelfs, grotendeels verteld vanuit het perspectief van een woordhongerige, prettig naïeve, zeer sensibele en uiterst ontvankelijke jongeman. Een roman, onderverdeeld in korte hoofdstukjes met compacte (en deels terugkerende) titels, waarvan het lezen – en vooral ook het herlezen – is alsof je kijkt naar een voortdurend meanderende rivier, met stroompjes die voortgaan, soms teruglopen, kabbelend met schuim in de kolkjes, en dan weer voorbijsnellen, een rivier waarin van alles stroomt en tegenstroomt, meedeint en terugbeweegt. Met de wind en de zon en een in het water spiegelend en wiegelend wolkenpatroon als ritmische begeleiding.

een lied van water, wind en woorden

Die rivier is er ook daadwerkelijk in Nevenwezen, en heeft een naam. De Zaan. Niedekkers vertelling is grotendeels gesitueerd in de Zaanstreek, en speelt in de ambachtelijk-industriële naoorlogse bloeiperiode van de regio, de periode van de opkomst en het steeds maar uitdijende koekjes- en cacao-imperium van Verkade. Die periode van opgang is eerst en vooral gesitueerd in een zeer overzichtelijke, besloten dorpscultuur, met een kapper die Pluis heet, een melkboer Kaas, de bakkerij van Fijn en boekhandel Noomen. Het doet een beetje denken aan het Westfriese quasi-nostalgische polderproza van Robert Anker in De thuiskomst van kapitein Rob (1992), en daarin dan vooral het verhaal ‘Klaas drijft boven’. Bij Niedekker vinden we dezelfde eenlettergrepige namen, dezelfde helder ingedeelde wereld in het meedogenloze zonlicht van de polder, met een vergelijkbaar verondersteld nostalgisch-authentiek onbewogen Hollands landschap; een imaginair landschap zoals dat er feitelijk nooit is geweest, maar wel het landschap waar we – of althans de personages van dit soort verhalen – zo graag naar terugverlangen. Maar zodra we de stolp oplichten van wat zich alleen ogenschijnlijk voordoet als de tweedimensionale ansichtkaart van het spreekwoordelijke dorp in vroeger tijden begint alles te friemelen, te verschuiven en te bewegen. Dat was al zo bij Anker, en het geldt in extremis voor de wereld die Niedekker beschrijft.

Alles is bij Niedekker hetzelfde en tegelijkertijd anders, of zoals het in de roman herhaaldelijk geformuleerd wordt: ‘Zonder verschil is er niets’. Dat geldt voor de praktijk van kapper Pluis, voor bakker Fijn – met zijn drang tot het ontwikkelen van exquise chocolaterieën naar Belgisch voorbeeld, een fascinatie die totaal niet aansluit bij de dagelijkse noden van zijn publiek – en ook voor boekhandel Noomen, de boekhandel waar de kiem ligt voor de hele beschreven wereld van Nevenwezen. Het is een wereld waarin een jongen zich van de anekdotiek wegleest, en waarin wij hem als lezers kunnen volgen, al vanaf zijn eerste bezoek aan Noomen. De daarvoor eigenlijk veel te prille jongen is op zoek naar De zwerftochten van Odysseus, uitgegeven in een reeks nog meer aanlokkelijke boeken uit de wereldliteratuur, een ‘rij van acht boeken met witte ruggen’ – boeken die hij uiteindelijk allemaal weet te bemachtigen dankzij een list van zijn moeder – terwijl hij ondertussen ook een glimp opvangt van een ander boek dat op de toonbank ligt, een ‘erg dun’ boek met ‘jungle’ in de titel en iets met ‘tringel’. Waarmee we binnentreden in de wereld van Lucebert, met in het openingsgedicht van triangel in de jungle de frase ‘een lied een wind van woorden’…

De frase is bij uitstek toepasbaar als kwalificatie van de woordenwereld van Nevenwezen, waarin we dan net hebben gelezen hoe alle bewoners van de Zaanstreek het hele jaar door steeds maar weer wind vangen, via de talrijke molens, met de wieken door de seizoenen heen gedoekt in een almaar variërende kleurenrijkdom… Zonder verschil, zonder beweging  is er niets. ‘Is alles wind? Ja. Is alles droom? Ja. Is alles smaak? Ja. Is alles fantasie? Ja, cacaofantasie.’

ongebreideld sensitivisme

Nevenwezen is een loflied op de fantasie, op fabuleren in de rijkste betekenissen van het woord. Het is het verhaal van de opgroeiende jongen die zich al lezend, afgezonderd van de wereld gezeten in de kruin van een kastanje met verlokkende uitzichten, een geheel eigen wereld bij elkaar verbeeldt. Een wereld, of beter gezegd de ervaring van een wereld, die in de eerste plaats hoogst sensitief is, vaak ook met schijnbaar moeiteloos aaneengeregen kettingen van associaties en verwantschappen in betekenissen. Talrijk zijn de prachtig verwoorde observaties van smaken, geuren, kleuren en vooral ook geluiden: het geluid van metaal op steen veroorzaakt door de noppen van een neergegooide voetbaltas, het verre, ritmische stoten van een heimachine, het tinkelend geluid van kabbelend water of de achteloos benoemde ‘lachsplinter van een visdiefje’. De onuitputtelijk vele nuances van de smaken van chocolade komen aan bod, onder andere geïroniseerd beschreven via een heus proefgezelschap, dat in een laboratoriumsetting – geblinddoekt en wel – via rapportages in tabelvormen verslag mag doen van de ervaren smaaksensaties in de nieuwste cacaomelanges.

Beelden en geluiden zijn er overal, verstild en verrassend, poëtisch, idiosyncratisch ook, met ruimte voor synesthesieën, bijvoorbeeld in een stukje ‘over geel’, dat vooral gaat over het geel van Franse zomers inclusief gele trui en waarin beschreven wordt hoe de jongen probeert kleuren te mengen om tot het juiste geel te komen, het geel waarin hij de zomer kon vangen, met ‘het geluk van het pedaleren door lavendelvelden en langs bergflanken, waaraan in de avondschemer het verre geluid van de tennisballen raakte’, het geel dat hij ‘later bij Bonnard [zou] zien, een geel dat hij soms rook in de bakkerij en hoorde in het timbre van mevrouw Fijns stem’. Wielrennen, voetbal en tennis keren sowieso vaker terug in Nevenwezen, soms via onverwachte en o zo originele beeldspraak. Zo is een wit potlood in een doos met kleurpotloden ‘net een reservekeeper. Of een wielrenner met een snor’. En waar er tennis is, is ook Herman Gorter nooit ver weg.

gelaagde tijd en ruimte

De rijkdom van Nevenwezen blijkt ook uit de manier waarop de roman de chronologische werking van de tijd opheft. In enkele afzonderlijke stukjes onder de titel ‘Over de tijd’, maar ook meer terloops verspreid in losse zinnen en observaties in de roman, laat Niedekker de tijd trillen en de wijzers van de klok als het ware tegelijkertijd naar het verleden en de toekomst uitslaan. Tijd wordt meerlagig, het verleden meervoudig, verdund en verdicht, versneld en vertraagd, de tijd keert om en vliedt – gelijk aan de stromen van de rivier – net zo gemakkelijk weer voorwaarts.

Niedekker vangt die multidimensionale tijd via zijn personage in het beeld van de registratie van muziek op cassettebandjes: ‘Het was een tijd van opnemen en doorgeven, van vastleggen, afspelen en overspoelen, wissen en weer registreren, en ten slotte hoorde je drie opnames door elkaar. De gelaagde tijd.’ Een gelaagdheid en naar alle kanten uitstromende vrijheid en rijkheid van beleving die ook tot uiting komt – via een stukje onder de kop ‘Over een concert’– in het in Nevenwezen beschreven ‘Köln concert’ van de Amerikaanse jazzpianist Keith Jarrett, de legendarische improvisatie die de jongen eveneens op de cassetterecorder hoort en ‘waaruit de noten dartelden als zwaluwen die de stal uit de lucht in vlogen, alle kanten op en toch verbonden via een beweging of impuls’. En waar die cassettebandjes terugverwijzen naar de jaren tachtig van de twintigste eeuw geldt dat net zo voor de multomappen vol verzamelingen (‘de geringde tijd’) waarin tegen beter weten in – met een steeds maar weer herordenen, uithalen en toevoegen als gevolg – geprobeerd wordt om het betekenisvolle vast te leggen en te behouden.

Wat Niedekker met de tijd doet, doet hij met de geografie. Nevenwezen is niet alleen de cacaofantasie van de Zaanstreek, maar ook de cacaofantasie van de West-Afrikaanse regio’s, de koloniale gebieden met de cacaoplantages die de grondstoffen leverden voor de luxe consumptiedrift van het Westen. Niedekker betrekt ook die realiteit en dat verleden in zijn roman, met aandacht voor de identiteitsvormende verhalen en de eigen, rijke orale tradities van die streken, met de kracht van de wouden en de voorspellende verhalen van de grootvaders. Met passages waarin kalebas en cacaovrucht op elkaar worden betrokken, waar het er bij beide vruchten om draait ‘het binnenste te bevrijden’; ‘voor de één een droom op de tong, een sprookje, voor de ander een houw met een kapmes. Wie bevrijdt het sprookje uit de kalebas.’

Afrika heeft in Nevenwezen zijn eigen, ‘andere’ jongen, waarmee Niedekker onder veel meer en subtiel een tweede verhaal invlecht over kinderarbeid en cacaoslavernij, over een continent op drift, over migratie en de aantrekkingskracht van Europa. De beide jongens fungeren in de roman als elkaars alter ego, onder andere in bespiegelingen van de ‘Zaanse’ jongen over Narcissus, waarbij deze mijmert over de ‘harmonie van het samenvallen. Waarom teruggaan naar de wereld van de afbakeningen als de illusie je bevrijding is?’

Dat samenvallen vindt in de roman ook daadwerkelijk plaats, en wel in Parijs, waar Niedekker de jongens letterlijk in elkaar laat overgaan in de tentoonstellingszalen van het Grand Palais ten tijde van de grote Manet-tentoonstelling van 1983. Dat hoofdstukje ‘Over een tentoonstelling’ is bovendien weer een apotheose van de in Nevenwezen keer op keer aan de orde gestelde overeenkomsten en verschillen in het werk van de schilders Claude Monet en Edouard Manet, en het laat zich bovendien lezen als een fascinerend essay over kijken naar de abstracte kracht van het werk van die laatste: ‘Monet gaf een les in waarnemen, in waarheid, Manet in mogelijkheid.’

een gelezen leven

‘Boeken gedijen in een web van boeken’, meldt Niedekker in een apart stukje ‘Over bronnen’, dat buiten de eigenlijke vertelling van Nevenwezen staat. De reikwijdte van die geraadpleegde bronnen is enorm. Mede op basis van die bronnen is alles in Nevenwezen tot leven gebracht verhaal en tot verhaal omgezet leven. Niet voor niets leest de jongen op weg naar de Manet-tentoonstelling in Parijs in Couperus’ Metamorfoze en merkt hij naar aanleiding van die lectuur op: ‘Net als de jonge schrijver van Couperus’ roman […] wou hij de metamorfose léven, door te verbeelden, verhaal na verhaal. Het rad van de verbeelding en gedaanteverwisselingen draaiende houden.’ En de andere jongen, even eerder in de roman in datzelfde Parijs, reflecteert vanuit zijn eigen traditie, zijn eigen vertellingen en beelden op die alomvattende beelden die diep indringen in het dagelijkse bestaan: ‘Beelden die je bij je droeg. Ze maakten werkelijkheden, mogelijkheden zichtbaar waar je anders aan voorbij zou gaan. Ze verbonden je met je intensiteit en gaven je de kans te jongleren met wat je anders als fait accompli zou opvatten.’ Om direct te vervolgen met de onuitputtelijke essentie van het vertelde verhaal: ‘De verhalenvertellers, de griots, de zangers konden de oorlogen, de slagen van het lot, de tragedies, de eenzaamheid, de achterstelling misschien niet voorkomen, ze gaven mensen de kracht van een eigen verhaal.’

Nevenwezen is een verhaal met magische kracht, herculisch in de verrichte inspanning: ongemeen rijk, razend knap in technische zin, maar vederlicht van toon en timbre. Precies zoals de Azteekse goden het in een van hun speels als koorzangen in de roman ingevlochten dialoogjes zeggen: ‘“Veel schuim, lekker luchtig.” “Zo doen we het.”’ Zwevend bijna, zacht en kwetsbaar als een donzen vogelveertje in het vroege voorjaar. Wat de jongen al vroeg in de vertelling verwoordt, geldt voor de roman als geheel. ‘Lezen was een zwevend luchtbestaan, je overgevend aan onbekende stromingen, een golven op een vliegend taaltapijt.’ Wat een vertelling, wat een weelde.

Scroll naar boven